joie de vivre

Woensdag realiseerde ik me dat ik gelukkig was, al een paar weken bijna non-stop, en sindsdien ben ik het niet meer.

Men zegt dat je pas weet dat je gelukkig bent als het te laat is, als er aan het geluk een einde komt.
Je weet pas wat je hebt als je het verliest. Is het echter niet mogelijk dat je het verliest zodra je beseft dat je het hebt? Omdat je dan pas iets hebt om te verliezen?

Misschien moet ik gewoon een keer ophouden mezelf te analyseren, te registreren en in hokjes te stoppen. Misschien is mezelf met rust laten wel de beste oplossing.

Alleen Gods wegen zijn ondoorgrondelijk.

Waarde lezer, sta mij toe een overdreven vergelijking te gebruiken: mijn hoofd was als een druk station dat ontruimd moest worden vanwege een bommelding op perron 5A. De politie, de brandweer en de landmacht moesten erbij komen om de onheilspellende koffer onschadelijk te maken: ik was Verliefd. En Verliefdheid is Taboe.

Wist je dat de mensheid guller schenkt aan een goed doel met een reclameposter waar één vijfjarig derdewereldhummeltje op staat dan aan dat met een reclameposter die een hele schoolklas herbergt? Dat komt omdat men zich beter kan inleven in de emoties van een enkel kind dan in die van een hele kudde. Van het inlevingsvermogen komt medeleven, van medeleven komt ellende. De mensheid eist vertrouwelijkheid, inspraak en een plaats in je persoonlijke ruimte. Een vinger in jouw pap. Ik ben geen  derdewereldhummel, liefde en aandacht zijn voor mij niet weggelegd. Emoties zijn voor het plebs en ik kan prima zonder. Ik wil de eigenschap bezitten die alleen Gods wegen toebedeeld is: ondoorgrondelijkheid.

Mijn leven lang heb ik deze levensfilosofie in stand weten te houden en ook de houding van mijn medemens is onveranderd gebleken: men bekeek mij met een mengeling van argwaan en ontzag, een dodelijke combinatie die je tot een eenzame hoogte vervloekt. Ik heb nooit hoogtevrees gehad.
Minnaars en andere hulpelozen hebben mij op andere gedachten geprobeerd te brengen, maar hun pogingen waren niet anders dan een vruchteloos offensief tegen een onneembaar fort.

Mijn kokend vet bleek echter niet genoeg om jou buiten de deur te houden. Ben je gek geworden? Wat had je in mijn hoofd te zoeken? Het deed er eigenlijk ook niet toe. Zaak was je er weer uit te krijgen, want je had je met scherpe weerhaken achter mijn oren genesteld en leek niet van plan daar ooit nog weg te gaan. Deze situatie vroeg om een operatieve verwijdering.

Het begon vrij gemakkelijk. Zonder enige moeite gooide ik bioscoopkaartjes, kledingstukken, geleende cd's en adresgegevens op mijn imaginaire brandstapel. Hieropvolgend kwamen, met iets meer pijn in mijn hart, je cadeaus, de weinige foto's die ik bezat, je telefoonnummer.
Ik schoonde met een verbeten gezicht mijn huis en hoofd op van jouw aanwezigheid, met op de achtergrond, roodgloeiend, het briefje dat je in mijn broekzak had gestopt vanochtend en dat de ondergang van mijn stoïcisme betekende. Ik trok mijn broek uit en zette de wasmachine aan.

Toen ik een uur later mijn hand in de rechterzak van mijn schone spijkerbroek stak voelde ik de viezige kruimels die overblijven als je een papiertje in je zak laat zitten bij het wassen. Ik peuterde de restanten uit de broekzak. De laatste pluisjes schudde ik uit in de tuin, mijn zak binnenstebuiten gekeerd. De tekst die ooit op het briefje had gestaan was volkomen onleesbaar.
Mijn hart verpulverde zoals het papiertje; onherkenbaar gemuteerd lagen de snippers voor me op de grond en werden één voor één door de wind meegenomen, zodat ik nooit, nooit meer kon toegeven aan de menselijke kwetsbaarheid.

Ach, waar blijft de tijd.

Vanmiddag werd er bij ons belletjegetrokken. Toen ik de deur open deed hoorde ik de twee kleine meisjes heel hard giechelen vanachter de struiken.

Monter

Ik voel me Monter vanavond. Monter.

Dit vind ik heel apart, omdat Monter voorheen altijd een emotie was waar ik alleen clandestiene fantasieën over durfde te hebben. Monter is een jaren '50 emotie. Iets voor George en Betty Parker, voor Peg. Iets voor tv-kokkinnen met een stralende glimlach en een schort. Iets voor Annemieke van Oven. Als je monter bent, heb je een jurkje aan met een rok tot over de knieën, een ceintuur en een kraagje. Het liefst ook witte sokken.

Montere meisjes doen niets liever dan anderen helpen, ze denken alles voor elkaar te krijgen onder het motto: "als je het maar graag genoeg wilt" en giechelen graag en veel. Ze gaan met minstens twee, drie tegelijk naar de wc en vinden voor alles een oplossing. Ze zijn bescheiden en hebben alleen vriendinnen zonder piemeltje. Als een jongen tegen ze praat kijken ze koket naar de grond. Montere meisjes pretenderen feministisch te zijn, maar als het erop aankomt zijn ze het allerliefste toch Moeder en ze hebben een man nodig om het gezin te completeren. Montere meisjes leven naar "na regen komt zonneschijn" en ze drogen hun tranen met waterige glimlachjes.

(waterige glimlachjes zijn voor mietjes)

Nooit van mijn leven zou ik het woord Monter over mijn lippen kunnen krijgen, mezelf aangaande. Liever had ik het over Opgewekt, Vrolijk of Blij. Bij Monter horen synoniemen als Blijgeestig, Kwiek, Opgeruimd en Welgemoed. Dat zijn Enge bijvoeglijke naamwoorden.

En toch kan ik er niet omheen. Monter is het enige woord waarbij ik congrueer vanavond.

ad De Mens Wil Meer

Nog een kort citaat van één van mijn favoriete schrijvers ter illustratie van mijn vorige bericht.

'En het huis werd gebouwd. Alles: de tafels, de stoelen, de kussens, de bedden en de kolen in de kelder waren van glas, en de glazen ramen blonken als diamant. En toen het af was, liep de koning er in rond en sloeg het stuk met een stok.'
- Godfried Bomans, uit het sprookje NIETS

de Mens wil Meer

Ik lag op bed naar Björk te luisteren en ik dacht opeens: "wat jammer dat ik geen surround-sound op mijn kamer heb." Surround-sound! In dat kleine kamertje! Natuurlijk meende ik het niet serieus, maar ik vond het wel een verontrustende gedachte.

De mensheid is ontzettend materialistisch. Ik heb geen problemen met waarde hechten aan je spullen, maar laat dat dan wel emotionéle waarde zijn. Het is toch ronduit achterlijk als je ziet wat we nu al hebben, om dan te bedenken dat mensen nog zoveel méér uitvinden.

Het is leuk om te zien dat Cas zo blij is met zijn hightech telefoon en Ipod Touch, maar wat gebeurt er met de WII die hij zo graag wou hebben maar die hij nu laat verstoffen? Marian wou drie jaar geleden zó graag een digitaal fotolijstje, maar waar is dat ding nu gebleven? Sybolt kreeg een nintendo voor zijn verjaardag en de rest van de avond heeft hij geen aandacht meer gehad voor zijn gasten of andere cadeautjes. Ik word uitgelachen omdat mijn mobieltje geen bluetooth heeft.

Men speelt geen Twister meer op feestjes, maar Guitar Hero of Zelda op de playstation, terwijl er kinderen op deze aardkloot zijn die nog nooit een joystick in handen hebben gehad en normaliter spelen met een van vodden gemaakte voetbal. Twister is leuk. Wat is er mis met Twister? Wat is er mis met het rijke aanbod van producten dat er nu al is? Waarom is niemand ooit tevreden met wat hij heeft?

Het is leuk om iets nieuws te hebben. Er worden op het gebied van fotografie bijvoorbeeld steeds ontdekkingen gedaan die de kwaliteit van foto's en films stukken beter maken. Ik snap dat mensen dat graag willen. Ook het e-book kan ik begrijpen. Technische ontwikkelingen om milieuvriendelijker te kunnen produceren. Maar hoe een playstation sociaal contact kan verdringen, dát snap ik niet. Waarom mensen een nieuw computerspelletje kopen in plaats van een gezelsschapsspel als Twister. Of eerder; waarom mensen niet meer op het idéé komen om Twister te kopen. Waarom de voorkeur automatisch uitgaat naar iets nieuws dat ze nog niet hebben dan naar iets ouds dat ze nog nooit hebben gehad. Waarom consumenten niet naar de omvang van het huidige aanbod van producten kijken, maar meteen om het hardst roepen dat ze iets nieuws nodig hebben, terwijl er genoeg nieuws is om uit te kiezen.

Met het geld dat we kunnen besparen door het afschaffen van de fabrieken die nutteloze prullaria en decadente gadgets produceren kunnen we fatsoenlijke ziekenhuizen bouwen in Afrikaanse steden. Investeren in opleidingen tot tropenarts en in daklozenopvang in Roemenië. Biologische producten subsidiëren. Tibet bevrijden.
We kunnen honderden en nog een honderder dozen Twister kopen en opsturen naar de verste uithoeken van de wereld, en zelfs dat zou nog nuttiger zijn dan het onderhouden van deze bedrijven die enkel gericht zijn op Winst en Persoonlijk Belang, zodat de directeur rond kan blijven rijden in zijn luxe BMW en gewoon, net als ieder jaar, op vakantie kan gaan naar een weelderig vakantieresort aan de Nijl, waar zijn vrouw geniet van de Egyptische zon en de roomservice, hij geniet van de in bikini gestoken jongedames en de cocktails en zijn zoontje geniet van zijn de gamezaal en een familiezak paprikachips,
zonder te beseffen dat een paar honderd kilometer verderop mensen sterven van de honger en dorst, zonder ooit een cocktail te hebben gezien.

Hoe ik er zelfs maar aan heb kunnen dénken om surround-sound op mijn kamer te hebben, terwijl er hele volksstammen zijn die het zonder elektriciteit moeten doen. Belachelijk.

Intuïtie

Hoe herken je een pijnlijke stilte?

Je eigen personage als persoonlijk idool?

Er is een bepaald type personage dat vaak mee mag doen in boeken: de uitbundige, flamboyante jongeman die bruist van de levenslust. Vaak heeft dit type een wat rustiger vriend die hij meesleurt in zijn enthousiasme. Ze krijgen meestal de knappe, excentrieke vrouwen die ze dramatisch 'mijn beminde' noemen. Ze smijten met geld, ook als ze dat niet hebben, en hun motto is 'leef bij de dag'. Ze hebben een zekere lak aan de regels en zijn impulsief en onvoorspelbaar. Ze zijn grappig en interessant. Ze vinden vrouwen de mooiste dingen op aarde en seks een godsgeschenk. Vaak zijn ze virtuoos, intellectueel of hebben ze andere talenten, waar ze graag mee koketteren. Ze lijken onbeschaamd, onverstoorbaar, onkwetsbaar.

Denk aan Mees, uit 'het leven is vurrukkulluk', van Remco Campert. Denk aan Broccoli, uit 'Figuranten', van Arnon Grunberg. Denk aan Fräser, uit 'Ik ook van jou', van Ronald Giphart. Denk aan Salomon Schwarz (TT), uit 'Geheel de Uwe', van Connie Palmen.
Ook de vrouwelijke variant komt voor: denk aan Vonda uit 'Ons Derde Lichaam', van Edward van de Vendel, of Topaas uit 'Noorderzon', van Renate Dorrestein.

Opvallend detail: dit personage komt voornamelijk voor in door mannen geschreven boeken, en als het een door een vrouw geschapen personage is, of de vrouwelijke variant van dit type mens, loopt het er vaak slecht mee af. Waarom is dit? Is dit personage een soort mannelijk rolmodel, het type dat elke man bewondert en de barbiepop waar iedereen op wil lijken?

Ik citeer uit een interview met Ronald Giphart:
'Op school hadden we een clubje van jongens. Laten we zeggen dat de meisjes niet stonden te dringen om door ons ontmaagd te worden. Door de literator uit te hangen, konden we een soort schild maken.'
- interview door Youri Albrecht, 13 december 2006, Vrij Nederland, naar aanleiding van de verfilming van 'Ik ook van jou'.

Waarom literatuur en gewildheid door vrouwen niet combineren in een intellectueel die misschien niet aan het schoonheidsideaal voldoet maar toch zeer begeerlijk is? In een Fräser misschien, meneer Giphart?

Doordat dit boek behoorlijk autobiografisch is weet ik niet goed of dit wel een goed voorbeeld is; ik weet niet met welk personage uit het boek Giphart zich identificeert en of de andere personages al dan niet verzonnen zijn. Wel kan ik me zo'n gedachtegang best voorstellen: als je zelf, vroeger of nu nog steeds, een beetje schuchter bent, talenten hebt die niet voldoende gewaardeerd worden, geen vlotte babbelaar in de kroeg maar een held op papier, kan je het beste je eigen idool creeëren: in je fantasie kan je perfectie tot in de puntjes nastreven, perfectie zoals dat in deze wereld nooit gevonden zal worden. Toen ik vroeger met de barbies speelde wou ik ook altijd de mooiste Barbie, die begeerd werd door de leukste Ken, en stiekem heb ik bewondering voor de perfecte -al is het maar schijn- PJ uit Tommy Wieringa's 'Joe Speedboot' - dit toneelspel is misschien wel júíst perfectie, omdat je rol voor jezelf kan invullen.

Nu rest alleen de vraag nog of het inderdaad het perfecte personage is. Het onmetelijke zelfvertrouwen grenst al snel aan narcisme en arrogantie, egoïsme, zelfzuchtigheid. Om pijn uit de weg te gaan zal je zelf moeten kwetsen, als je Atap niet eert zal je vergeten wat écht genieten is. Je zal verleren teleurstellingen te verdragen en de toekomst zal je voorbijsnellen en achterlaten op het punt dat het te laat is. Deze bijwerkingen treden natuurlijk alleen op bij overmatig gebruik, maar ze tonen wel aan dat je moet oppassen met het idealiseren van dit personage:
niemand wil eindigen als de legendarische Citizen Kane.




NB: meer over idolen in een eerdere blog: http://catastrofiel.web-log.nl/soeporama/2008/10/your-heros-are.html

Persoonlijke aantekening: ben ik niet precies hetzelfde? Zit ik met het schrijven van deze blogs niet naar dezelfde waardering te hunkeren? Zit ik niet te koketteren met mijn beleesdheid door het noemen van deze boektitels met bijbehorende personages? Zoek ik niet ongeveer dezelfde eigenschappen in mijn persoonlijke rolmodel? Deze vragen zijn voor mezelf nu te confronterend om eerlijk te beantwoorden.

Tussendoortje.

"Ik zit vol," verzucht ze, en met het satéstokje peutert ze de laatste stukjes rundvlees tussen haar tanden vandaan. Ik staar tevreden naar de vlammen en zak nog wat dieper in mijn stoel. Zo zwijgen we een poosje. Het enige geluid komt van het houtje dat ze met kracht tussen haar tanden steekt en het geknetter van het vuur.
"Zullen we elkaar griezelverhalen vertellen?" stel ik voor. Ze kijkt me bevreemd aan. Althans, zo lijkt het. Haar gezicht is moeilijk te zien in de flakkerende schaduwen die het vuur erop maakt. Het blijft even stil. "Is goed," klinkt het dan aarzelend. "Ik begin wel," zeg ik. Ze knikt. Dat ziet er raar uit. Het lijkt net of ze een sik heeft. Ik giechel even.
"Begin dan!"
Ik begin. Ik vertel een verhaal over een ondode wasbeer die Ziggy Stardust heet, 's nachts kinderkamers binnensluipt en de zuigelingen opeet, maar het lijkt haar niet te boeien. Halverwege stop ik. "Wil je soms liever zelf vertellen?" "Ja," antwoordt ze, "maar niet over die wasbeer." Ik vind het allang best. De warmte van het vuur maakt me soezerig en de kussens van mijn stoel zijn zacht. Er speelt een liedje in mijn hoofd, ik neurie zachtjes voor me uit. Ze begint te vertellen.

"Een paar jaar geleden was ik een nacht alleen thuis, zoals wij nu. Het liep tegen middernacht en ik wilde gaan slapen. Nog één keer liep ik alle kamers door om de lichten uit te doen, toen ik in mijn ooghoeken iets zag bewegen achter het gordijn. Ik greep instinctief het eerste hanteerbare voorwerp in mijn buurt, een kleine schemerlamp, en sloop behoedzaam in de richting van het gordijn. Nog vóór ik het echter had kunnen opentrekken sprong er een verschrikkelijk monster achter vandaan; het had het lichaam van een vrouw, met lange, wilde, zwarte haren, maar het had geen handen - in plaats daarvan had het kromme klauwen, als die van een leguaan. Op haar rug zaten twee grote, leerachtige vleugels die uit de achterkant van haar jurk scheurden als waren ze erdoorheen gegroeid. Haar ogen waren kogelrond en oranje van kleur, en haar mond... Haar mond was gemaakt om te doden, te verscheuren. Ze sperde deze wijdopen in een geluidloze kreet, waarbij ze een dubbele rij vlijmscherpe tanden tentoonspreidde.
Ik gilde, liet de schemerlamp vallen en deed een poging te ontsnappen, maar het mocht niet baten. In een paar stappen was ze bij me en stortte zich op mijn hulpeloze lichaam. Met een laatste schreeuw voelde ik haar tanden in mijn vlees glijden..."

Ze staart dromerig naar het vuur. Ik ril van de spanning. "En toen?"
Geheel onverwacht draait ze haar gezicht naar me toe en kijkt ze me recht aan. "Toen ging ik dood," zegt ze met een serene glimlach. Het valt me nu pas op hoe blauw haar lippen zijn.

Hoe het anderen opvalt hoe snel het gaat.

Ik zat, in hetzelfde bushokje als waar ik de ex-hippie ontmoette, naast een kleine, donkere vrouw. Ik kende haar wel van gezicht, ik zat wel eens bij haar in de bus. Ze begon tegen me te praten:
"Woon je in Ferwert? Hoelang woon je al in Ferwert?" Ze praatte met een sterk buitenlands accent; 'jij' sprak ze uit als 'jai', en 'hoelang' als 'ghoelang'. Ik vertelde haar hoe lang ik al in Ferwert woonde.
Ze was even stil toen ze in haar tas rommelde op zoek naar haar poederdoos.
"Weet je waarom ik dat vraag?" antwoordde ze toen. "Ik zie jou al jaren in de bus, en het is onvoorstelbaar hoe zeer jij veranderd bent! Eerst was jij een klein, bang, mager meisje met een tas die zwaarder was dan jij zelf, en nu," ze hield haar poederkwast even stil en bekeek me langdurig, "nu ben je een echte dame!"
Ik glimlachte verlegen en zij zweeg. Na een paar minuten zei ze weer iets:
"Je hebt zulke mooie paarse gympen, zo mooi, die gympen!"
Ik had ze niet aan die dag.